Le verbe BATTRE
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez.
battre
slaan
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik sla
sla
j'
ik heb
geslagen
tu
je slaat
tu
je hebt
geslagen
il
hij slaat
il
hij heeft
geslagen
elle
ze slaat
elle
ze heeft
geslagen
on
men slaat
on
men heeft
geslagen
nous
we
slaan
laten we slaan
nous
we hebben
geslagen
vous
jullie slaan / u slaat
sla
vous
jullie hebben geslagen / u hebt geslagen
ils
ze slaan
ils
ze hebben geslagen
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik sloeg
je
ik zal slaan
je
ik zou slaan
tu
je sloeg
tu
je zult slaan
tu
je zou slaan
il
hij sloeg
il
hij zal slaan
il
hij zou slaan
elle
ze sloeg
elle
ze zal slaan
elle
ze zou slaan
on
men sloeg
on
men zal slaan
on
men zou slaan
nous
we sloegen
nous
we zullen slaan
nous
we zouden slaan
vous
jullie sloegen / u sloeg
vous
jullie zullen slaan / u zult slaan
vous
jullie zouden slaan / u zou slaan
ils
ze sloegen
ils
ze zullen slaan
ils
ze zouden slaan
elles
elles
elles
Correction
OK