Le verbe FAIRE
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez.
faire
doen / maken
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik maak / ik doe
maak / doe
j'
ik heb gedaan / ik heb gemaakt
tu
je maakt / je doet
tu
je hebt gedaan / je hebt gemaakt
il
hij maakt / hij doet
il
hij heeft gedaan / hij heeft gemaakt
elle
ze maakt / ze doet
elle
ze heeft gedaan / ze heeft gemaakt
on
men maakt / men doet
on
men heeft gedaan / men heeft gemaakt
nous
we doen / we maken
laten we doen / laten we maken
nous
we hebben gedaan / we hebben gemaakt
vous
jullie doen / jullie maken / u maakt / u doet
maak / doe
vous
jullie hebben gedaan / jullie hebben gemaakt / u hebt gedaan / u hebt gemaakt
ils
ze doen / ze maken
ils
ze hebben gedaan / ze hebben gemaakt
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik maakte / ik deed
je
ik zal doen / ik zal maken
je
ik zou doen / ik zou maken
tu
je maakte / je deed
tu
je zult doen / je zult maken
tu
je zou doen / je zou maken
il
hij maakte / hij deed
il
hij zal doen / hij zal maken
il
hij zou doen / hij zou maken
elle
ze maakte / ze deed
elle
ze zal doen / ze zal maken
elle
ze zou doen / ze zou maken
on
men maakte / men deed
on
men zal doen / men zal maken
on
men zou doen / men zou maken
nous
we maakten / we deden
nous
we zullen doen / we zullen maken
nous
we zouden doen / we zouden maken
vous
jullie maakten / jullie deden / u maakte / u deed
vous
jullie zullen doen / jullie zullen maken / u zult doen / u zult maken
vous
jullie zouden doen / jullie zouden maken / u zou doen / u zou maken
ils
ze maakten / ze deden
ils
ze zullen doen / ze zullen maken
ils
ze zouden doen / ze zouden maken
elles
elles
elles
Correction
OK