Allez au verbe ACHETER
Le verbe JETER
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez
jeter
werpen
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik werp
werp
j'
ik heb geworpen
tu
je werpt
tu
je hebt geworpen
il
hij werpt
il
hij heeft geworpen
elle
ze werpt
elle
ze heeft geworpen
on
men werpt
on
men heeft geworpen
nous
we werpen
laten we werpen
nous
we hebben geworpen
vous
jullie werpen / u werpt
werp
vous
jullie hebben geworpen / u
hebt geworpen
ils
ze werpen
ils
ze hebben geworpen
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik wierp
je
ik zal werpen
je
ik zou werpen
tu
je wierp
tu
je zult werpen
tu
je zou werpen
il
hij wierp
il
hij zal werpen
il
hij zou werpen
elle
ze wierp
elle
ze zal werpen
elle
ze zou werpen
on
men wierp
on
men zal werpen
on
men zou werpen
nous
we wierpen
nous
we zullen werpen
nous
we zouden werpen
vous
jullie wierpen / u wierp
vous
jullie zullen werpen / u zult
werpen
vous
jullie zouden werpen / u zou
werpen
ils
ze wierpen
ils
ze zullen werpen
ils
ze zouden werpen
elles
elles
elles
Correction
OK
Allez au verbe ACHETER