Les verbes en -OYER et -AYER

Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.


Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".

Conjuguez le verbe "nettoyer"


nettoyer

schoonmaken

indicatif présent

impératif

passé composé
je
ik maak schoon
maak schoon j'
ik heb schoongemaakt
tu
je maakt schoon tu
je hebt schoongemaakt
il
hij maakt schoon il
hij heeft schoongemaakt
elle ze maakt schoon elle ze heeft schoongemaakt
on men maakt schoon on men heeft schoongemaakt
nous
we
maken schoon

laten we schoonmaken nous
we hebben schoongemaakt
vous
jullie maken schoon / u maakt
schoon
 
maak schoon vous
jullie hebben schoongemaakt /
u hebt schoongemaakt
ils
ze maken schoon ils
ze hebben schoongemaakt
elles elles

indicatif imparfait

futur simple

conditionnel présent
je
ik maakte schoon je
ik zal schoonmaken je
ik zou schoonmaken
tu
je maakte schoon tu
je zult schoonmaken tu
je zou schoonmaken
il
hij maakte schoon il
hij zal schoonmaken il
hij zou schoonmaken
elle ze maakte schoon elle ze zal schoonmaken elle ze zou schoonmaken
on men maakte schoon on men zal schoonmaken on men zou schoonmaken
nous
we maakten schoon nous
we zullen schoonmaken nous
we zouden schoonmaken
vous
jullie maakten schoon / u
maakte schoon
vous
jullie zullen schoonmaken / u
zult schoonmaken
vous
jullie zouden schoonmaken / u
zou schoonmaken
ils
ze maakten schoon ils
ze zullen
schoonmaken
ils
ze zouden
schoonmaken
elles elles elles