Le verbe NUIRE

Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.

Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".

Conjuguez.



nuire


benadelen, schade berokken
indicatif présent impératif passé composé
je
ik benadeel
benadeel j'
ik heb benadeeld
tu
je benadeelt tu
je hebt benadeeld
il
hij benadeelt il
hij heeft benadeeld
elle ze benadeelt elle ze heeft benadeeld
on men benadeelt on men heeft benadeeld
nous
we benadelen
laten we benadelen nous
we hebben benadeeld
vous
jullie benadelen / u benadeelt  
benadeel vous
jullie hebben benadeeld / u hebt benadeeld
ils
ze benadelen ils
ze hebben benadeeld
elles elles
indicatif imparfait futur simple conditionnel présent
je
ik benadeelde je
ik zal benadelen je
ik zou benadelen
tu
je benadeelde tu
je zult benadelen tu
je zou benadelen
il hij benadeelde il hij zal benadelen il
hij zou benadelen
elle ze benadeelde elle ze zal benadelen elle ze zou benadelen
on men benadeelde on men zal benadelen on men zou benadelen
nous
we benadeelden nous
we zullen benadelen nous
we zouden benadelen
vous
jullie benadeelden / u benadeelde vous
jullie zullen benadelen / u zult benadelen vous
jullie zouden benadelen / u zou benadelen
ils
ze benadeelden ils
ze zullen benadelen ils
ze zouden benadelen
elles elles elles