Le verbe PLAIRE
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez.
plaire
behagen, bevallen, aanstaan
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik behaag
behaag
j'
ik heb behaagd
tu
je behaagt
tu
je hebt behaagd
il
hij behaagt
il
hij heeft behaagd
elle
ze behaagt
elle
ze heeft behaagd
on
men behaagt
on
men heeft behaagd
nous
we behagen
laten we behagen
nous
we hebben behaagd
vous
jullie behagen / u behaagt
behaag
vous
jullie hebben behaagd / u hebt behaagd
ils
ze behagen
ils
ze hebben behaagd
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik behaagde
je
ik zal behagen
je
ik zou behagen
tu
je behaagde
tu
je zult behagen
tu
je zou behagen
il
hij behaagde
il
hij zal behagen
il
hij zou behagen
elle
ze behaagde
elle
ze zal behagen
elle
ze zou behagen
on
men behaagde
on
men zal behagen
on
men zou behagen
nous
we behaagden
nous
we zullen behagen
nous
we zouden behagen
vous
jullie behaagden / u behaagde
vous
jullie zullen behagen / u zult behagen
vous
jullie zouden behagen / u zou behagen
ils
ze behaagden
ils
ze zullen behagen
ils
ze zouden behagen
elles
elles
elles
Correction
OK