Le verbe POURVOIR
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez.
pourvoir
voorzien
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik voorzie
voorzie
j'
ik heb voorzien
tu
je voorziet
tu
je hebt voorzien
il
hij voorziet
il
hij heeft voorzien
elle
ze voorziet
elle
ze heeft voorzien
on
men voorziet
on
men heeft voorzien
nous
we voorzien
laten we voorzien
nous
we hebben voorzien
vous
jullie voorzien / u voorziet
voorzie
vous
jullie hebben voorzien / u hebt voorzien
ils
ze voorzien
ils
ze hebben voorzien
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik voorzag
je
ik zal voorzien
je
ik zou voorzien
tu
je voorzag
tu
je zult voorzien
tu
je zou voorzien
il
hij voorzag
il
hij zal voorzien
il
hij zou voorzien
elle
ze voorzag
elle
ze zal voorzien
elle
ze zou voorzien
on
men voorzag
on
men zal voorzien
on
men zou voorzien
nous
we voorzagen
nous
we zullen voorzien
nous
we zouden voorzien
vous
jullie voorzagen / u voorzag
vous
jullie zullen voorzien / u zult voorzien
vous
jullie zouden voorzien / u zou voorzien
ils
ze voorzagen
ils
ze zullen voorzien
ils
ze zouden voorzien
elles
elles
elles
Correction
OK