Le verbe ROMPRE
Cliquez ici pour voir le tableau de conjugaison.
Complétez les cadres. Cliquez ensuite sur "correction".
Conjuguez.
rompre
breken
indicatif présent
impératif
passé composé
je
ik breek
breek
j'
ik heb gebroken
tu
je breekt
tu
je hebt gebroken
il
hij breekt
il
hij heeft gebroken
elle
ze breekt
elle
ze heeft gebroken
on
men breekt
on
men heeft gebroken
nous
we breken
laten we breken
nous
we hebben gebroken
vous
jullie breken / u breekt
breek
vous
jullie hebben gebroken / u hebt gebroken
ils
ze breken
ils
ze hebben gebroken
elles
elles
indicatif imparfait
futur simple
conditionnel présent
je
ik brak
je
ik zal breken
je
ik zou breken
tu
je brak
tu
je zult breken
tu
je zou breken
il
hij brak
il
hij zal breken
il
hij zou breken
elle
ze brak
elle
ze zal breken
elle
ze zou breken
on
men brak
on
men zal breken
on
men zou breken
nous
we braken
nous
we zullen breken
nous
we zouden breken
vous
jullie braken / u brak
vous
jullie zullen breken / u zult breken
vous
jullie zouden breken / u zou breken
ils
ze braken
ils
ze zullen breken
ils
ze zouden breken
elles
elles
elles
Correction
OK